Grondwetsherzieningen na 1814
De Grondwet van 1814 eiste voor verandering of bijvoeging, dat eerst de noodzaak daartoe bij de wet zou worden verklaard. Vervolgens moest aan de leden der Staten-Generaal een gelijk getal buitengewone leden worden toegevoegd. De aldus verdubbelde vergadering van de Staten-Generaal kon een grondwetsherziening alleen dan goedkeuren, wanneer ten minste tweederde van het aantal aanwezige leden daar voorstander van was (art. 142 en 144 Grondwet 1814).De Grondwet van 1815 kende een zwaardere procedure: in de dubbele Tweede Kamer werden de aanwezigheid van twee derden der leden en voorts een meerderheid van drie vierden der aanwezige leden geëist (art. 231 en 232 Grondwet 1815).
De thans geldende regeling dateert van 1848. Artikel 137 Grondwet 1983 eist dat bij wet wordt verklaard, dat een verandering in de Grondwet in overweging zal worden genomen (de "eerste lezing"). Daarbij is een gewone meerderheid in beide Kamers voldoende. Na bekrachtiging wordt deze wet afgekondigd, waarna de Tweede Kamer wordt ontbonden (tot de grondwetswijziging van 1995 diende ook de Eerste Kamer te worden ontbonden. Omdat die ontbinding geen enkele materiële betekenis had, werd die eis van ontbinding afgeschaft). Daarna volgt de tweede lezing, waarbij, in tegenstelling tot de eerste lezing, het wijzigingsvoorstel alleen kan worden aangenomen of verworpen. In elk van beide kamers is bij deze tweede lezing een meerderheid van twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen vereist.
Vermeldenswaard is in dit verband dat het kabinet-Schermerhorn Drees in 1946 voorstelde de procedure van wijziging van de Grondwet te veranderen. Het voorstel kwam erop neer, dat de eerste lezing zou plaatsvinden in een verenigde vergadering van de beide Kamers. Dan zouden er verkiezingen plaatsvinden voor een Kamer voor Grondwetsherziening, bestaand uit 100 leden. Deze Kamer zou het wetsvoorstel dan met tenminste drie-vijfde meerderheid moeten aannemen. Het wetsvoorstel van de regering haalde zowel in Tweede- als in Eerste Kamer een meerderheid in eerste lezing, maar sneefde in de tweede lezing: in de Tweede Kamer werd geen twee-derde meerderheid behaald. Zie:
| - | Prof. mr. F.J.F.M. Duynstee en Dr. J. Bosmans, Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945. Het kabinet Schermerhorn-Drees, Assen/Amsterdam, 1977, Hoofstuk VIII De grondwetswijziging, pp. 553-571. |
Zoals gezegd: artikel 137 van de Grondwet bepaalt dat de Tweede Kamer dient te worden ontbonden na bekendmaking van de wet in eerste lezing (ook wel verklaringswet genoemd). Bij de behandeling van de tweede lezing van de grondwetswijziging i.v.m. het vervallen van de bepaling over het uitsluiten van wilsbekwamen van het kiesrecht, kwam de vraag – niet voor het eerst overigens - aan de orde, of het daarbij gaat om het tijdstip van de ontbinding zelf (in de praktijk het tijdstip van het bijeenkomen van de nieuwe Tweede Kamer) dan wel om het koninklijk besluit tot ontbinding van de Kamer (dat enkele weken eerder ligt). Dit probleem kan zich voordoen na de plotselinge val van een kabinet en het als gevolg daarvan ontbinden van de Tweede Kamer vóórdat de verklaringswet in het Staatsblad is verschenen. Raad van State en Regering nemen het standpunt in, dat het niet op constitutionele belemmeringen stuit als de verklaringswet in het staatsblad komt nadat het besluit tot ontbinding van de Tweede kamer is gepubliceerd, maar vinden het wel raadzaam in het algemeen een verklaringswet bekend te maken vóórdat het besluit tot ontbinding van de Tweede Kamer is bekendgemaakt.
Zie voor de deze discussie:
| - | Bijlage 30471, Handelingen Eerste Kamer, 2006-2007, Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het vervallen van de bepaling over het uitsluiten van wilsonbekwamen van het kiesrecht, nr. D, brief van de minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, 18 december 2006. |
Sinds 1972 (additioneel art. Xl Grondwet 1972; art. 138 Grondwet1983) bestaat de mogelijkheid om tot - redactionele - aanpassing van de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet over te gaan.
De Grondwet van 1983 voorziet in de mogelijkheid voor de Tweede Kamer om een voorstel tot grondwetswijziging te splitsen (art. 137, lid 2 en lid J). Voor een dergelijke splitsing is een twee-derde meerderheid vereist.
Zie over de grondwetsherzieningsprocedure:
| - | P. J. Oud, Het Constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, deel 11, Zwolle, 1970, 2e druk, pp. 34-38; |
| - | C. W. van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Zwolle, 1983, 1 Ie druk, pp. 168-174. |
Op verzoek van de Eerste Kamer zond het kabinet medio 2009 een brief over de procedure van grondwetswijzigingen, met name de te volgen procedure bij de tweede lezing. In dit nuttige en heldere overzicht wordt o.a. specifiek ingegaan op grondwetswijziging als gevolg van een initiatiefwetsvoorstel en de rol en de functie van een demissionair kabinet bij grondwetswijziging. Zie:
| - | Bijlage 28331, Handelingen Eerste Kamer, 2008-2009, nr. I, brief van 29 juni 2009. |
Zie voorts:
| - | H.R.B.M. Kummeling (e.a.), De aard van grondwetsherzieningen, Deventer, 2001. |
Het ontstaan van de Grondwet van 1814 en de daarop volgende herzieningen van 1815, 1840, 1848, 1884, 1887, 1917, 1922, 1938, 1946, 1948, 1953, 1956, 1963, 1972 en 1983 zijn beschreven en gedocumenteerd in de volgende uitgaven:
Over de Grondwet van 1814:
| - | H. T. Colenbrander, Ontstaan der Grondwet, eerste deel: 1814, 1 s-Gravenhage, 1908; |
| - | C. F. van Maanen, Aanteekeningen van het verhandelde over de Grondwet van 1814, Dordrecht, 1886. |
Over de grondwetsherziening van 1815:
| - | H. T. Colenbrander, Ontstaan der Grondwet, tweede deel: 1815, 1 s-Gravenhage, 1909; |
| - | C. F. van Maanen, Aantekeningen van het verhandelde over de Grondwet van 1815, Dordrecht, 1887. |
Over de grondwetsherziening van 1840:
| - | Herziening der Grondwet 1839-1840: gedrukten van de Staten-Generaal, 's-Gravenhage, 1840, 4 delen |
Over de grondwetsherziening van 1848:
| - | Het voorstel van de" Negen Mannen": gedrukten van de Staten-Generaal, 's-Gravenhage, 1846, 1 deel; |
| - | Herziening der Grondwet 1847-1848:gedrukten van de Staten-Generaal, 's-Gravenhage, 1848, 3 delen; |
| - | J. C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden, Utrecht, 1848, 1 deel. |
Over de grondwetsherziening van 1884:
| - | Verslag van de Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk Besluit van 11-5-1883 (commissie-Heemskerk), 's-Gravenhage, 1884. |
Over de grondwetsherziening -van 1887:
| - | A. R. Arntzenius, Handelingen over de herziening der Grondwet, 1 s-Gravenhage, 1888, 10,delen. |
Over de Grondwetsherzienig van 1917:
| - | Verslag van de Staatscommissie ingesteld bii Koninklijk besluit van 23-10-1905 (commissie-De Beaufort), 's-Gravenhage, 1906; |
| - | Verslag van de Staatscommissie voor Kiesrecht ingesteld bij Koninklijk besluit van 24-3-1910 (commissie-Heemskerk), 'sGravenhage,1912; |
| - | Verslag van de Staatscommissie voor Evenredig Kiesrecht ingesteld bij Koninklijk besluit van 15-11-1913 (commissie-Oppenheim), 's-Gravenhage, 1914; |
| - | Verslag van de Staatscommissie in verband met Subsidiëring Bijzonder Onderwijs ingesteld bij Koninklijk besluit van 31-12-1913 (commissie-Bos), 's-Gravenhage, 1916; |
| - | J. B. Kan, Handelingen over de herziening der Grondwet (van 1917), 's-Gravenhage, 1916-1918, 3 delen; |
| - | F. J. A. Huart, Grondwetsherziening 1917 en 1922, Groningen, 1925. |
Over de grondwetsherziening van 1922:
| - | Verslag van de Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk besluit van 20-12-1918 (commissie-Ruys de Beerenbrouck), 's-Gravenhage,1920; |
| - | F. J. A. Huart, Grondwetsherziening 1917 en 1922, Groningen,1925. |
Over de grondwetsherziening van 1938:
| - | Verslag van de Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk besluit van 24-1-1936 (commissie-De Wilde), 's-Gravenhage, 1936; |
| - | J.M.H.Dassen, De grondwetsherziening 1938, Nijmegen, 1938. |
Over de grondwetsherziening van 1946:
| - | Bijlage 189, Handelingen Tweede Kamer, 1945-1946, Verslag van de Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk besluit van 22-2-1946 (commissie-Beel), nr. 4. |
Over de grondwetsherziening van 1948:
| - | Verslag van de Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk besluit van 29-9-1947 (commissie-Beel), 's-Gravenhage, 1948. |
Over de Grondwetsherziening van 1953:
| - | Interim-rapport van de Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk besluit van 17-4-1950 (commissie-Van Schaik), 's-Gravenhage, 1951; |
| - | Eindrapport van de Commissie nopens de Samenwerking tussen Regering en Staten-Generaal inzake het Buitenlands Beleid ingesteld bij beschikking van de minister-president van 25-4-1950 (commissie-Eysinga), ''s-Gravenhage, 1951; |
| - | F. J. F. M. Duynstee, Grondwetsherziening 1953, Deventer, 1954, Eindrapport van de Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk besluit van 17-4-1950 (commissie-Van Schaik), 's-Gravenhage, 1954; |
| - | Rapport van de Commissie nadere Wijziging Buitenlandse Betrekkingen ingesteld bij ministeriële beschikking van 1-9-1954 (commissie-Kranenburg), 's-Gravenhage, 1955. |
Over de grondwetsherzieningen van 1956 en 1963 zijn geen aparte boekwerken verschenen. Vele stukken, waaronder de Bijlagen en Handelingen der Staten-Generaal over deze grondwetsherzieningen bevinden zich echter bij de Stafafdeling constitutionele zaken en wetgevingsaangelegenheden, en bij het archief van het Departement van Binnenlandse Zaken in 's-Gravenhage, waar zich vergelijkbare documentatie bevindt over de daaraan voorafgaande grondwetsherzieningen sinds 1922.
In 1966 verscheen De Proeve van een nieuwe Grondwet, Ministerie van Binnenlandse Zaken, 's-Gravenhage. Vanaf 1969 verschijnt een documentatiereeks bij dit ministerie onder de titel Naar een nieuwe Grondwet. Deel 1 van deze reeks was: Parlementaire geschiedenis van de Proeve van een nieuwegrondwet, onder redactie van H. Th. J. F. van Maarseveen, 's-Gravenhage, 1969.
Op 26 augustus 1967 stelde het kabinet-De Jong een nieuwe Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet (de commissie-Cals/Donner) in, die in 1968 en 1969 twee interimrapporten uitbracht, en in 1971 een Eindrapport uitgaf, vergezeld gaande van Tekstoverzichten, met de tekst van een ontwerp-grondwet en twee vergelijkende, artikelsgewijze overzichten van de bestaande Grondwet, de Proeve en de nieuw voorgestelde grondwet.
In de eerder genoemde Documentatiereeks van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werden als delen 2, 3 en 4 Adviezen van politieke en maatschappelijke organen over de vernieuwing van Grondwet en Kieswet gebundeld (verschenen tussen 1969 en 197l).
In de daarop volgende delen van de Documentatiereeks is het volgende verschenen.
Over de grondwetsherziening van 1972:
| - | De Parlementaire geschiedenis rond de algemene grondwetsherziening, 1969-1971, 2 delen, 1973 (Documentatiereeks, delen 5 en 6); |
| - | Grondwetsherziening -1972, 5 delen, 1975-1976 (Documentatiereeks, delen 7-11) |
Over de grondwetsherziening van 1983:
| - | Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid, 2 delen, 1977 (Documentatiereeks, delen 12 en 13); |
| - | De parlementaire geschiedenis rond de algehele grondwetsherziening, 1978 (Documentatiereeks, deel 14): |
| - | Algehele grondwetsherziening, 14 delen, 1979-1984 (Documentatiereeks, delen 15-32). |
Over de grondwetsherziening van 1987
| - | De grondwetsherziening 1987, 2 delen, 1992 (Documentatiereeks, delen 33 en 34) |
Over de grondwetsherziening van 2002:
| - | De grondwetsherziening 2002, 3 delen, 2003 (Documentatiereeks, delen 35, 36 en 37) |
Over de grondwetsherziening van 2006:
| - | De grondwetsherziening 2006, 3 delen, 2006 (Documentatiereeks, delen 38 en 39) |
Over de grondwetsherziening van 2008:
| - | De grondwetsherziening 2008, 1 deel, 2008 (Documentatiereeks, deel 40) |