Staatshoofd en ministers (affairres)
De Koning als regeringsleiderOnder de Grondwet van 1815 berustte de uitvoerende macht bij de Koning als persoonlijk regeringsleider. De ministers waren als zijn dienaren slechts uitvoerders van de besluiten van de Koning. Van het uitoefenen van controle op de Koning door het parlement was slechts in geringe mate sprake: het parlement was, met de Koning, de formele wetgever, en diende toestemming te geven voor de begroting. In geen van deze beide gevallen bezat het parlement voor 1848 het recht van amendement. De kritiek op de grote macht van de Koning nam toe ten gevolge van conflicten rondom de Belgische afscheiding, waardoor onder meer de overheidsfinanciën in het ongerede raakten. Nog onder Koning Willem I, in 1839, traden voor het eerst twee ministers onder parlementaire druk af (zie hoofdstuk A0500, par. 2.1.).
Strafrechtelijke verantwoordelijkheid
In 1840 werd bij grondwetsherziening de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. De ministers diende alle koninklijke besluiten en beschikkingen mede te ondertekenen (contraseign) en konden, ingeval de koninklijke besluiten of beschikkingen in strijd waren met de wet of met de Grondwet, strafrechtelijk worden vervolgd. De aldus gecreëerde verantwoordelijkheid van ministers was een beperkte: zij behelsde slechts de legaliteit van regeringsdaden, die beoordeeld moest worden door de strafrechter. Strafrechtelijke vervolging van een minister op deze grond heeft nooit plaatsgevonden.
Politieke verantwoordelijkheid
Bij de grondwetsherziening van 1848 werd de persoonlijke macht van de Koning verder beperkt, vooral door de invoering van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid, vastgelegd in het grondwetsartikel: „De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk” (huidig art. 42, lid 2). Consequentie hiervan was dat de ministers geheel verantwoordelijk voor het beleid werden en dat de vraag naar een eigen aandeel van de Koning in de besluitvorming niet meer mocht worden gesteld: het zogenaamde „Geheim van Huis ten Bosch” (voorheen resp. „Geheim van het Noordeinde” en „Geheim van Soestdijk”).
Zie:
| - | H. A. van Wijnen, De pers en het geheim van het Noordeinde, Amsterdam, 1997; |
| - | J.C. Baud, Het geheim van Paleis Kneuterdijk. De wekelijkse gesprekken van koning Willem II met zijn minister J.C. Baud over het koloniale beleid en de herziening van de Grondwet 1841-1848, Leiden 2008 (ingeleid en bezorgd door W.R. Hugenholz). |
Evenwel: dit gevolg van de grondwetswijziging van 1848 kreeg slechts geleidelijk zijn beslag in het Nederlands staatsbestel. Zie hiervoor:
| - | J. A. Bornewasser, Ministeriële verantwoordelijkheid voor en na 1848, in: C. B. Wels (red.), Vaderlands verleden in veelvoud, ’s-Gravenhage, 1980, 2e druk, deel II, pp. 71-99. |
De Koning bezat de eerste decennia na 1848 nog altijd veel invloed. Zo stuurde Koning Willem III in 1853 het kabinet Thorbecke naar huis na een conflict tussen Koning en kabinet over de houding door de regering in te nemen ten aanzien van het besluit van de Paus om in Nederland de bisschoppelijke hiërarchie her in te voeren.
Zie:
| - | P. J. Oud (bewerkt door J. Bosmans), Staatkundige vorming in Nederland, Deel I: 1840-1940, Assen, 1997, 11e herziene druk. |
In de periode 1866-1868 speelde een aantal conflicten, die uiteindelijk leidden tot de definitieve vestiging in Nederland van het parlementaire stelsel, inhoudende dat een kabinet dat niet het vertrouwen van de kamers geniet, zich niet kan handhaven, tenzij het de kamers ontbindt èn dat kamerontbinding voor dezelfde zaak niet meer dan eenmaal kan plaatsvinden. Dit hield in dat een koninklijk kabinet, dat wil zeggen een kabinet samengesteld uit ministers die uitsluitend op grond van de persoonlijke voorkeur van de Koning in hun ambt benoemd zijn, uiteindelijk niet tegen de wil van de kamers in functie kan blijven.
Zie voor de Luxemburgse kwestie en de kwestie Mijer:
| - | P. J. Oud (bewerkt door J. Bosmans), Staatkundige vorming in Nederland, Deel I: 1840-1940, Assen, 1997, 11e herziene druk. |
| - | C. W. de Vries, in: W. J. van Welderen Rengers, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland van 1848 tot 1901, eerste deel, 1948, 4e druk, Hoofdstukken XIV en XV, pp. 361-412. |
Zie over de periode 1848-1898:
| - | J. Abeling, Teloorgang en wederopstanding van de Nederlandse monarchie (1848-1898), Amsterdam, 1996. |
Symboolfunctie vs invloed
Het koningschap kreeg nadien steeds meer een symboolfunctie, zie:
| - | A. A. H. Struycken, Ons koningschap, Amsterdam, 1909. |
Sinds het eind van de negentiende eeuw groeide ten onrechte de indruk dat de persoonlijke rol van de Koning in de vaststelling van het regeringsbeleid zonder betekenis is. Bekend is bijvoorbeeld het conflict tussen Koning en ministers over het al of niet ontslaan van opperbevelhebber generaal Snijders gedurende de Eerste Wereldoorlog, zie:
| - | L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel II: Neutraal, ’s-Gravenhage, 1969, pp. 1-5; |
| - | Herinneringen van jhr. mr. B. C. de Jonge, met brieven uit zijn nalatenschap, uitgegeven door dr. S. L. van der Wal, Utrecht, 1968. |
Het staatshoofd heeft in ieder geval grote invloed op het verloop van de kabinetsformatie, met name bij de benoeming van (in)formateurs (zie hoofdstuk A0500, par. 3.). Zie:
| - | G. J. Lammers. De Kroon en de kabinetsformatie, IJmuiden, 1952. |
Over de invloed van Koningin Wilhelmina op de kabinetsformatie van 1908, zie:
| - | J. Voerman, Het conflict Kuyper-Heemskerk, Utrecht, 1954. |
In de tweede helft van de jaren dertig kwam er een opleving in de gedachte om de persoon van de Koning een grotere rol te laten spelen in de besluitvorming, zie hierover:
| - | P. W. Kamphuisen, Koning en ministers, een staatsrechtelijke studie, Nijmegen, 1935; |
| - | A. L. de Block, Toeneming van de macht der Kroon, Tilburg, 1938; |
| - | C. P. M. Romme, Erfelijk nationaal koningschap, Amsterdam, 1937. |
Stadhoudersbrief
In 1946 maakte een dubbelspionne melding van de zogenaamde stadhoudersbrief die op 24 april 1942 door Prins Bernhard aan Hitler zou zijn geschreven. De Prins zou daarin het voorstel hebben gedaan om als stadhouder in Nederland op te treden als de Duitsers de bezetting van Nederland zouden opgeven. De Prins heeft het bestaan van de brief altijd ontkend. Vast staat dat de brief nooit boven water is gebracht; ook niet nadat de Prins in 2004 in de Volkskrant een beloning van één miljoen euro daartoe uitloofde.
Zie:
| - | G. Aalders, Het intrigerende leven van een Nederlandse dubbelspionne, Amsterdam, 2003; |
| - | T. Biesemaat, De Soltikow Affaire, z.p., 2005. |
Zie ook de speculatieve trilogie Voor Koningin en Vaderland van thriller-auteur Tomas Ross.
Londen
Op 13 mei 1940 arriveerde Koningin Wilhelmina in Londen nadat zij het door Duitse legers binnengevallen Nederland had verlaten. Haar sterke persoonlijkheid en het ontbreken van parlementaire controle leidden tot een grote persoonlijke rol van de Koningin in de regering in ballingschap gedurende de periode 1940-1945. Voor een beschrijving van de periode in ballingschap, zie:
| - | L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, ’s-Gravenhage, 1969-1991. |
Zie paragraaf 11 (onder „Wilhelmina”) voor een gedetailleerd overzicht.
Eerste na-oorlogse jaren
Op 24 juni 1945 beëdigde Koningin Wilhelmina het kabinet Schermerhorn-Drees. Toen het aantrad functioneerde het parlement nog niet en steunde het kabinet uitsluitend op het vertrouwen van de Koningin. Overigens was het de bedoeling van de Koningin een nationaal kabinet samen te stellen, maar de ARP en de CPN distantieerden zich van het nieuwe kabinet. Met name de benoeming tot minister-president van Schermerhorn was een persoonlijke beslissing van de Koningin: Schermerhorn was een exponent van de Nederlandse Volksbeweging, welke haar warme sympathie had. Zie:
| - | J. Bosmans, Het maatschappelijk-politieke leven in Nederland 1945-1980, in: Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 15: Nieuwste tijd, Bussum, 1982, pp. 274 e.v. |
Na de oorlog herwonnen politieke partijen en parlement hun oorspronkelijke invloed. Voor beschrijvingen van de relatie tussen staatshoofd en ministers, zie voorts:
| - | E. van Raalte, Staatshoofd en ministers, Zwolle, 1971; |
| - | H. A. van Wijnen, Van de macht des Konings, de Kroon kan geen kwaad doen, mythe en werkelijkheid van de constitutionele monarchie, Amsterdam, 1975; |
| - | C. A. Tamse, De monarchie in Nederland, Amsterdam, 1980; |
| - | J. de Rek, Tussen republiek en monarchie, Baarn, 1984; |
| - | H. van Wijnen, De macht van de Kroon, Amsterdam, 2000. |
Koningin Juliana en minister Van Maarseveen
Na het aftreden van minister van Overzeese Gebiedsdelen Sassen (14 februari 1949, kabinet Drees-Van Schaik) werd minister van Binnenlandse Zaken Van Maarseveen tevens minister ad interim op Overzeese Gebiedsdelen. Het zoeken naar een definitieve opvolger werd gestaakt toen Van Maarseveen te kennen gaf bereid te zijn de post definitief te bekleden. Medio mei bleek echter dat hij niet het vertrouwen van de Koningin genoot, waarop Van Maarseveen ontslag vroeg. Minister-President Drees maakte de Koningin echter duidelijk dat het kabinet achter Van Maarseveen stond, waarop zij over haar bezwaren heenstapte. Die bezwaren zelf bleven onduidelijk; gesuggereerd is wel dat het zou gaan om de rol die Van Maarseveen had gespeeld bij het ontslag van haar vertrouweling Beel. Ook zou meegespeeld hebben dat Van Maarseveen burgemeester Visser van Den Haag - een goede bekende van Juliana - had gesuggereerd ontslag te vragen.
Zie:
| - | J.E.C.M. van Oerle, Het parlement als dwarslaesie in het dekolonisatieproces, in: P.F. Maas en J.M.M. Clerx (red.), Het kabinet-Drees-Van Schaik (1948-1951), Nijmegen, 1966, Band C. Koude oorlog, dekolonisatie en integratie, pp. 480-481. |
Koningin Juliana en het gratiebeleid t.a.v. Duitse oorlogsmisdadigers
In 1950 maakte Koningin Juliana bezwaar tegen de afwijzing door minister Wijers van gratieverzoeken van enkele ter dood veroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers (o.a. Lages). De Koningin weigerde deze afwijzingen te tekenen en dreigde met troonsafstand. Minister Struycken (de opvolger van de oververmoeide Wijers in het kabinet-Drees-Van Schaik) en de Koningin sloten een compromis: de minister zou steeds gratie verlenen als één van de veroordelende instanties (in eerste instantie of in beroep) geen doodstraf had uitgesproken. Veerder zou hij na een bepaalde tijd in het parlement het besluit willen verdedigen om geen enkele executie meer te doen plaatsvinden. De zaak kwam pas tot een definitieve oplossing toen in 1952 de nieuwe minister van Justitie Donker bereid was het standpunt van de Koningin over te nemen.
Zie:
| - | J.C.F.J. van Merriënboer en P.P.T. Bovend'Eert, Het rustige tuintje van minister Wijers, in: P.F. Maas en J.M.M. Clerx (red.), Het kabinet-Drees-Van Schaik (1948-1951), Nijmegen, 1966, Band B. Anticommunisme, rechtsherstel en infrastructurele opbouw, pp. 538-542. |
Hofmans-affaire
In de jaren vijftig ontstonden conflicten tussen Koningin Juliana en Prins Bernhard. Daarin speelde Greet Hofmans een grote rol. Deze gebedsgenezeres behandelde in 1948 de oogziekte van prinses Marijke en kreeg grote invloed op de Koningin. Onder die invloed werden de pacifistische ideeen van de Koningin steeds sterker. Zij gaf daaraan o.a. uiting in een toespraak tot het Amerikaanse Congres in 1952. In deze tijd van Koude Oorlog leidde dat tot conflicten met Prins Bernhard, die juist voorstander was van een sterke bewapeningspolitiek en ook overigens bezwaar maakte tegen de invloed van Mw. Hofmans op het hof. Het kabinet had ook moeite met bijvoorbeeld de door de Koningin zelfstandig geschreven toespraken, waaronder die voor het Amerikaanse Congres, maar heeft daar uiteindelijk wel de politieke verantwoordelijkheid voor aanvaard. De persoonlijke conflicten tussen de Koningin en de Prins liepen medio jarern vijftig dermate hoog op, dat de Koningin dreigde met echtscheiding. Uiteindelijke werd in 1956 door Koningin en Prins gezamenlijk de commissie-Beel ingesteld met als leden: de oud-minister-presidenten Beel en Gerbrandy en de voormalige gouverneur-generaal van Nederlands-Indie, A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Nadat Mw. Hofmans in 1950 al van het hof verwijderd was, werd nu ook het contact met haar volledig verbroken. Ook vond een reorganisatie van de hofhouding plaats. Zie verder:
| - | J.W. Brouwer, De Hofmansaffaire: privézaak of staatszorg?, in: J.W. Brouwer en P. van der Heiden (red.), Het Kabinet Drees IV en het Kabinet Beel II, Den Haag, 2004 (Deel 6 van de serie Parlementaire Geschiedenis van Nederland na 1945); |
| - | H. Daalder, Drees en Soestdijk. Over de zaak-Hofmans en andere crises 1948-1958, Amsterdam, 2006; |
| - | L.J. Giebels, De Greet Hofmans-affaire. Hoe de Nederlandse monarchie bijna ten onder ging, Amsterdam, 2007; |
| - | C. Fasseur, Juliana & Bernhard. Het verhaal van een huwelijk, de jaren 1936-1956, Amsterdam, 2008. Als bijlage 3 is de integrale tekst van het rapport van de commissie-Beel opgenomen. |
De Irene-affaire
Begin 1964 verloofde prinses Irene zich met de katholieke Spaanse troonpretendent Carlos Hugo de Bourbon Parma. Mede in verband met deze relatie was zij in stilte overgegaan tot het katholieke geloof. Omdat de Oranje's van oudsher verbonden zijn met het protestantisme, leidde deze overgang tot spanningen tussen katholieken en protestanten. Zo vonden de katholieke ministers van het kabinet-Marijnen dat Irene op de troon zou moeten kunnen komen als Carlos zijn aanspraken op de Spaanse troon zou opgeven. De protestants-christelijke ministers waren het daarmee niet eens. Het kabinet hoefde niet over deze kwestie te beslissen omdat Carlos zijn troonpretendenties niet opgaf. Een complicerende factor bij de affaire bestond uit de opvatting van Koningin Juliana dat het hier een privé-zaak betrof, waarmee een constitutioneel conflict opdoemde. Daaraan kwam pas een einde toen de Koningin moest erkennen dat zij geen greep meer op haar - ondergedoken - dochter had. De regering - inclusief de Koningin dus - besloot geen toestemmingswet voor het huwelijk bij de Tweede Kamer in te zullen dienen, waarmee een eind kwam aan de aanspraken van Irene op de Nederlandse troon. Daar waren drie redenen voor: Carlos gaf zijn troonpretenties niet op; Irene zou zich na haar huwelijk in het buitenland vestigen en zij wilde ook zelf dat er geen wetsvoorstel werd ingediend.
Zie uitgebreid over deze affaire:
| - | J.W. Brouwer, Zaken rond de troon, in: P. van der Heiden en A. van Kessel (red.), Rondom de Nacht van Schmelzer, pp.83-111. (Deel 8 van de serie Parlementaire Geschiedenis van Nederland na 1945). |
"Het Huwelijk": prinses Beatrix trouwt met Claus
In de zomer van 1966 maakte Koningin Juliana op televisie de verloving bekend van prinses Beatrix met Claus von Amsberg, een Duitse diplomaat. De Tweede-Wereldoorlog lag, twintig jaar na het einde daarvan, gevoelig in Nederland. Die gevoeligheid kwam tot uiting in twijfels over Claus gezien zijn, overigens automatische en niet-vrijwillige, lidmaatschap van de Hitlerjugend. Het kabinet kwam na onderzoek tot de conclusie dat er op het oorlogsverleden van Claus niets viel aan te merken. Een ander lastig punt was de keuze van de plaats van het huwelijk. De koninklijke familie wilde Amsterdam, het kabinet wilde oorspronkelijk uit vrees voor demonstraties en uit respect voor het gevoelen van joodse groeperingen en het voormalig verzet, dat het huwelijk in Den Haag of elders zou plaatsvinden. De koninklijke familie stelde daarop Baarn voor als huwelijksplaats, maar het kabinet koos alsnog voor Amsterdam: Claus was volledig aanvaardbaar als echtgenoot en dus moest bij nader inzien het huwelijk in Amsterdam plaatsvinden. In november 1966 behandelde het parlement de goedkeuringswet voor het huwelijk. De PSP en de PvdA'er en oud-verzetsman Goedhart stemden in de Tweede Kamer tegen. Ook in de Eerste Kamer stemden de PSP en drie PvdA'ers tegen. Het Huwelijk vond met veel kabaal en een rookbom op 10 maart 1967 in Amsterdam plaats.
Zie uitgebreid over Het Huwelijk:
| - | J.W. Brouwer, Zaken rond de troon, in: P. van der Heiden en A. van Kessel (red.), Rondom de Nacht van Schmelzer, pp.112-129 (Deel 8 van de serie Parlementaire Geschiedenis van Nederland na 1945). |
Kroonprins in OIC
In februari 1998 kwam de ministeriële verantwoordelijkheid ter sprake in verband met de benoeming van kroonprins Willem-Alexander tot lid van het Internationaal Olympisch Comité (IOC). Gezien de mogelijkheid van (buitenlands-)politiek gevoelige beslissingen van het IOC en het feit dat de leden van het IOC zonder last of ruggespraak een standpunt innemen, stond de vraag ter discussie of het lidmaatschap niet op gespannen voet zou kunnen komen te staan met de ministeriële verantwoordelijkheid. In antwoord op schriftelijke tweede-kamervragen antwoordde de regering dat er in verband met de ministeriële verantwoordelijkheid beperkingen waren gesteld aan de regel dat de leden van het IOC optreden zonder last of ruggespraak.
Ten einde te voorkomen dat de kroonprins in opspraak geraakt door politiek controversiële beslissingen van het IOC waren afspraken gemaakt die in een brief aan het IOC door de staatssecretaris van VWS als volgt waren geformuleerd: “the Prince has agreed to abstain from participation in any IOC decision-making which is clearly political in nature. It has also been agreed (...) that on any occasion on which there is doubt about the political significance of the IOC decision, he will consult the Netherlands Minister of Foreign Affairs.”
Zie:
| - | Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 1997-1998, nrs. 697 en 710 en de bijlage bij vraag 710 (de brief van de staatssecretaris van VWS aan het IOC en het antwoord van het IOC). |
De officiële beëdiging van de kroonprins in juni 1999, kwam eind 1998 ter discussie te staan toen bekend werd dat enkele leden van het IOC zich financieel hadden laten beïnvloeden in hun keuze voor de plaats waar de Olympische Spelen (van meerdere jaren) zouden worden gehouden. Nadat een intern IOC-onderzoek had geleid tot maatregelen om het vertrouwen in de integriteit van het IOC te herwinnen, oordeelde het kabinet dat er geen reden was af te zien van het lidmaatschap van de kroonprins van het IOC:
| - | Bijlage 26.398, Handelingen Tweede Kamer, 1998-1999, Ontwikkelingen rond het IOC. |
Prinses Margarita
In februari en maart 2003 publiceerde het opinieweekblad HP/De Tijd een artikelenreeks getiteld “Oranjebitter” waarin Prinses Margarita (dochter van prinses Irene) en haar man De Roy van Zuydewijn gedetailleerd ingingen op hun verstoorde relatie met de Koninklijke Familie. Zij stelden dat door toedoen van de Koninklijke Familie inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer hadden plaatsgevonden zoals het bekend worden van feiten uit het dossier van de Sociale Dienst te Amsterdam over de heer De Roy van Zuydewijn bij leden van de Koninklijke Familie.
Zie:
| - | HP/De Tijd, 14, 21 en 28 februari 2003 en 7 maart 2003. |
De artikelenreeks leidde tot schriftelijke vragen in de Tweede Kamer, zie:
| - | Aanhangsel 2002-2003, nrs. 866 (vragen van Van Bommel, SP, over de lastercampagne die prinses Margarita en haar man Edwin de Roy van Zuydewijn zou treffen), 868 (vragen van Van Bommel, SP, over het mogelijke advies aan Koningin Beatrix inzake de beschuldigingen van Prinses Margarita) en 892 (vragen van Halsema, GroenLinks, en De Graaf, D66, over de informatie van de Tweede Kamer inzake het onderzoek naar Edwin de Roy van Zuydewijn). |
Tijdens een persconferentie op 5 maart 2003 ging minister-president Balkenende op de beschuldigingen in. Hij stelde onder andere dat het dossier van de Sociale Dienst te Amsterdam weliswaar was opgevraagd door de BVD, maar dat dit geschiedde in het kader van een regulier onderzoek naar personen die door huwelijk zullen toetreden tot de koninklijke familie.
Een dag later boden de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties echter hun excuses aan de Prinses aan omdat zij in eerdere correspondentie met de Prinses en haar man ten onrechte ontkend hadden dat de BVD een onderzoek had ingesteld naar de heer De Roy van Zuydewijn. De ministers stelden van dit onderzoek niet op de hoogte te zijn gesteld. Het bleek dat het Kabinet der Koningin de BVD had verzocht een onderzoek in te stellen zonder daarvan betrokken ministers op de hoogte te stellen, zo bleek uit een brief van 10 maart 2003 van de minister-president:
“In januari 2000 heeft de Directeur van het Kabinet der Koningin besloten het toenmalige plaatsvervangend hoofd van de BVD te vragen naslag te doen in de eigen bestanden van de BVD, omdat de heer De Roy van Zuydewijn als mogelijk aanstaand echtgenoot van H.K.H. Prinses Margarita toegang zou kunnen krijgen tot het staatshoofd en de directe omgeving van het staatshoofd. De BVD heeft geen aanleiding gezien de minister van BZK over het onderzoek te berichten. Toen het huwelijksvoornemen vastere vormen aannam heeft de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging in november 2000 een onderzoek ingesteld naar de heer De Roy van Zuydewijn omdat deze vanwege zijn relatie met Prinses Margarita directe toegang zou kunnen krijgen tot leden van het Koninklijk Huis. Het onderzoek vond plaats, gelet op zijn wettelijke opdracht om te waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis. De beide onderzoeken zijn rechtmatig gedaan. Dit laat onverlet dat het wenselijk ware geweest dat de betrokken ministers tijdig op de hoogte waren gesteld van het feitelijke onderzoek en de relevantie van de onderzoeksgegevens. Hierover zijn nu sluitende afspraken gemaakt. Deze houden in dat de diensten verzoeken tot het naslaan van gegevens omtrent (potentiële) leden van de Koninklijke Familie melden aan de ministers. Voorts is afgesproken dat verzoeken dienaangaande van de Directeur van het Kabinet der Koningin via het ministerie van Algemene Zaken zullen worden gedaan. Deze afspraken zullen schriftelijk worden vastgelegd”.
Zie:
| - | Bijlage 28811 Gebeurtenissen met betrekking tot H.K.H. Prinses Margarita de Bourbon de Parma en haar Echtgenoot, nr. 1 Brief van de minister-president d.d. 10 maart 2003. |
Over deze brief vond op 12 maart 2003 een debat in de Tweede Kamer plaats, zie:
| - | Handelingen Tweede Kamer 2002-2003, 12 maart 2003, pp. 3173-3232. |
Aan het einde van dit debat werd met algemene stemmen een motie-Kalsbeek c.s. aangenomen waarin de regering verzocht wordt volledige ministeriele verantwoordelijkheid voor het Kabinet der Koningin tot stand te brengen, bijvoorbeeld door het Kabinet der Koningin onder te brengen in hoofdstuk III van de rijksbegroting, zie:
| - | Bijlage 28811, nr. 6. |
Aan deze motie werd door het kabinet-Balkenende II uitvoering gegeven: de politieke miniteriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet der Koningin werd daarmee een feit.
Uit antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Kalsbeek (PvdA) en Van Aartsen (VVD) werd echter ook duidelijk dat het Kabinet der Koningin ambtelijk niet onder de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken valt, zie:
| - | Aanhangsel nr. 594, Handelingen Tweede Kamer, 2003-2004. |
Op 10 februari 2004 debatteerde de Tweede Kamer over deze kwestie, zie:
| - | Handelingen Tweede Kamer 2003-2004, pp. 3295-3307. |
Een tijdens dat debat ingediende motie-Kalsbeek, waarin de regering werd verzocht het Kabinet der Koningin onder te brengen in de ambtelijke organisatie van het Ministerie van Algemene Zaken werd op 17 februari 2004 verworpen met de stemmen van SP, Groen Links, PvdA. Groep Lazrak en LPF vóór.
De zaak De Roy Van Zuydewijn kreeg een vervolg in november 2009. De Volkskrant kwam met het bericht dat de premier de Nationale Ombudsman in een onderzoek naar de mogelijke bemoeienis van het Kabinet der Koningin met het privé- en het zakelijk leven van De Roy van Zuydewijn had gedwarsboomd. Hierover werden in de Tweede Kamer op 10 november 2009 mondelinge vragen gesteld, zie:
| - | Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, 10 november 2009. |
Prinses Mabel
Eind 2003 kwam de verloofde van Prins Johan Friso, mevrouw M.M. (Mabel) Smit, in opspraak. Op 16 juni 2003 stelden zij en de Prins de regering in kennis van hun voorgenomen verloving en gaven de wens te kennen parlementaire goedkeuring voor hun huwelijk te verkrijgen. Het aan het indienen van een dergelijke goedkeuringswet verbonden gebruikelijke onderzoek leverde voor de regering geen beletselen op.
Enkele weken later bleek uit krantenpublikaties dat mw. Smit, in tegenstelling tot wat zij eerder ook tegen de regering had vermeld, een liefdesrelatie had gehad met top-crimineel Klaas Bruinsma.
De regering besloot daarop, nu de oorspronkelijk door mw. Smit en de Prins vermelde informatie onjuist en onvolledig was geweest, geen goedkeuringswet bij het parlement in te dienen.
Zie over “Mabel-gate”:
| - | Bijlage 29241, Handelingen Tweede Kamer, 2003-2004, Voorgenomen huwelijk Z.K.H. prins Johan Friso, nrs. 1-6; |
| - | Handelingen Tweede Kamer, 2003-2004, pp. 863-924. |
Van Vollenhoven
Het voorzitterschap van Mr. Pieter van Vollenhoven (de echtgenoot van prinses Margriet en lid van het Koninklijk Huis) van de Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft nimmer in het openbaar ter discussie gestaan. Toch leidde dat voorzitterschap tot het ontslag van een tweetal ministers. Van Vollenhoven leidde immers het onderzoek naar de toedracht rond de Schipholbrand. Vanwege de vernietigende kritiek die in het rapport werd geuit traden de ministers Donner en Dekker af.
In 2008 bood hij de Tweede Kamer aan om te bemiddelen in de affaire-Spijkers. "Klokkenluider" Spijkers voert een jarenlange strijd met het ministerie van Defensie over de waarheid over een ongeluk met twee mortierexplosies. In de zomer van 2008 verschenen in tal van media berichten als zou het kabinet geen prijs hebben gesteld op een interventie van Mr. Van Vollenhoven die voor de radio verklaarde zich te hebben teruggetroken omdat hij geen onderwerp van discussie wilde worden.
Prinses Christina
Op 31 januari 2009 publiceerde De Volkskrant het bericht dat er voor Prinses Christina een brievenbusflirma in Guernsey - een belastingparadijs - bestaat. De Stichting Protector Daffodil Trust die de firma bestuurde had een postadres op Paleis Noordeinde. Dit bericht was voor Tang (PvdA) aanleiding voor het stellen van mondelinge vragen in de Tweede Kamer aan de staatssecretaris De Jager van Financiën. Over de zaak zelf liet deze zich - om privacy-redenen - niet uit. Op verzoek van de Kamer stuurde de minister-president enige tijd later een overzicht van alle stichtingen met als statutaire zetel "Paleis Noordeinde". De commissie BZK stelde n.a.v. deze lijst een aantal kritische vragen, met name over de Stichting Protector Daffodil Trust en over de Stichting Lysfonds (die het vermogen van de familie De Bourbon de Parme. De gegeven antwoorden waren kort en terughoudend onder verwijzing naar de gewenste bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Begin september 2009 speelde deze zaak opnieuw kort op; de minister-president verklaarde dat de zaak inmiddels is opgelost: de stichting Daffodil is uitgeschreven op het adres Paleis Noordeinde. Zie:
| - | Handelingen Tweede Kamer, 3 februari 2009, pp. 4123-4125; |
| - | Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, nr. 234; |
| - | Bijlage 31700 I, nrs. 4 en 6. |
Prins Willem-Alexander en de Nederlandsche Bank
Sinds 1 juli 1998 is prins Willem-Alexander lid van de raad van commissarissen van de Nederlandsche Bank. Medio 2009 kwam de aanpak van de financiële crisis door die bank ter discussie. Een kamermeerderheid van PvdA, SP, VVD en GroenLinks - zo bleek niet uit een debat, maar uit een uitzending op televisie - zou vinden dat de Prins zijn functie bij de bank moet neerleggen nu ook de rol van de commissarissen wel eens ter discussie zou kunnen komen te staan en er een parlementair onderzoek is gestart waarbij mogelijk commissarissen zouden moeten worden gehoord. Volgens het kabinet kan de prins tot juli 2010, als de benoemingsperiode afloopt, gewoon lid blijven van de raad van commissarissen, zie:
| - | Aanhangsel 3222, Handelingen Tweede Kamer, 2008-2009, vragen van het lid Pechtold (D66) over het commissariaat van Prins Willem Alexander bij de Nederlandsche Bank. |
Vakantiehuis Mozambique
In 2008 werd bekend dat Prins Willem-Alexander en prinses Máxima een vakantiehuis in Mozambique willen laten bouwen. Het was de bedoeling om ook de landelijke bevolking daarvan te laten profiteren: de bouw van het vakantiehuis maakte deel uit van een groter project dat naast werkgelegenheid ook o.a. tot schoon drinkwater in de omgeving zou moeten leiden.
In 2009 verschenen in de pers berichten over de projectontwikkelaar die land zou inpikken van de lokale bevolking. Ook zou er, tegen de afspraken in, niet worden geïnvesteerd in scholen, drinkwater en electriciteit.Er was ook nog sprake van een schietincident. Het kabinet zond de Tweede Kamer over deze zaak dan ook een brief. Daarin stond o.a. dat ervoor gekozen is afstand te creëren tussen de Prins en de ontwikkeling van het project. Daartoe werd een Stichting in het leven geroepen die verantwoordelijk is voor het project en de belangen van de prins behartigt. De ministeriele verantwoordelijkheid geldt wel voor de oprichting van die stichting, maar niet voor de activiteiten daarvan.
Zie:
| - | Bijlage 32.123, Hoofdstuk I, Handelingen Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2009-2010, nr. 3. |
Op 20 november 2009 deelde de Kroonprins in een brief aan de minister-president mee, dat hij besloten had het vakantiehuis in Mozambique ná voltooiing te verkopen. Als reden noemde hij de voortgaande publiciteit rond het project en de tijd en energie die de opgelaaide discussie kost. Het tijdstip van het besluit was opmerkelijk: een dag eerder had de premier in een begeleidende brief bij antwoorden op schriftelijke vragen van een aantal kamerleden, het project nog verdedigd. Zie:
| - | Bijlage 32.123, Hoofdstuk I, Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, nrs. 19 (brief over de verkoop) en 20 (brief over de schriftelijke vragen). |
Medio juli 2010 stelden Van Gent (GroenLinks) en Van Raak (SP) schriftelijke vragen over het bericht dat de Kroonprins zijn vakantie doorbracht in de villa in Mozambique, zie:
| - | Aanhangsel Handelingen Tweede kamer, 2009-2010, nr. 3003 en 2010-2011, nr. 2846. |
Medio januari 2012 deelde minister-president Rutte de Kamer mee dat het vakantiehuis was verkocht tegen een symbolisch bedrag aan de Machangulo SA. Deze Vereniging van Eigenaren zal het huis doorverkopen waarbij het risico bij de Willem-Alexander en Máxima ligt.
Gesprekken Kamer en Koningin: opstappen Boekestijn
Op 18 november 2009 vond, voor het eerst sinds tien jaar, een gesprek plaats tussen Kamerleden en de Koningin. Het gesprek was vertrouwelijk: de inhoud ervan diende niet naar buiten te komen. Na afloop van het gesprek deed het VVD-Kamerlid A.J. Boekestijn voor RTL verslag van het gesprek in die zin dat hij meldde dat gesproken was over hypes in het parlement en over de hoeveelheid spoeddebatten. Ook meldde hij dat met prins Willem-Alexander gesproken was over de vakantievilla in Mozambique. Enkele uren later stapte Boekestijn op als Kamerlid: hij betreurde zijn optreden voor de pers ten zeerste en vond dat hij niet meer als Kamerlid kon functioneren.
De Horsten
Begin september 2010 kwam in het nieuws dat voor twee boerderijen op landgoed De Horsten, eigendom van Koningin Beatrix en bewoond door de Kroonprins en zijn gezin, een sloopvergunning was aangevraagd en toegewezen. De Kroonprins zou op het vrijgekomen terrein exclusieve villa's laten bouwen. De PvdD en GroenLinks stelden hierover schriftelijke vragen: zij vonden dat de boerderijen niet gesloopt zouden moeten worden i.v.m. de grote cultuurhistorische waarde daarvan.
Staatsbezoek Abu Dhabi
Begin januari 2012 bracht Koningin Beatrix een staatsbezoek aan Abu Dhabi. Tijdens een bezoek aan een moskee droeg de Koningin, evenals prinses Maxima, een hoofddoek. De PVV-kamerleden Van Klaveren, Elissen en Wilders keurden dat af omdat zij vinden dat de hoofddoek een symbool van “islamisering, onderdrukking en discriminatie van de vrouw is”. Zij stelden hierover schriftelijke vragen aan minister-president Rutte die antwoordde dat bij een bezoek van H.M. de Koningin aan een godshuis de daarbij behorende kledingvoorschriften worden gerespecteerd.
Literatuur over - al dan niet vermeende - affaires
In de loop der jaren is een aantal publikaties verschenen over - al dan niet vermeende - affaires rond het Koningshuis:
| - | H.J.A. Hofland, Tegels lichten of ware verhalen over de autoriteiten in het land van de voldongen feiten, Zwolle, 1972; |
| - | Bijlagen 13.787, Handelingen Tweede Kamer, 1975-1976, Rapport van de Commissie van Drie. Onderzoek naar de juistheid van verklaringen over betalingen door een Amerikaanse vliegtuigfabriek, nrs. 3-5 (Over Prins Bernhard en de Lockheedaffaire); |
| - | J. Doorn, Nederland, Oranje en de doofpot. Raadsels rond Oranje in de 19e eeuw, Zaltbommel, 1979; |
| - | H. Arlman en G. Mulder, Van de Prins geen kwaad. Prins Hendrik en andere dossiers van Oranje, Alphen aan den Rijn, 1982; |
| - | W. Oltmans, Prins Claus (1965-1985). Een rapportage, Baarn, 1984; |
| - | H.J. Korterink, De zwarte schapen van Oranje, Hoevelaken, 1992 (over prins-gemaal Hendrik, 1876-1934); |
| - | G. Beukenkamp, D. van den Heuvel en M. Walraven, Emily. Of het geheim van Huis ten Bosch. Een drama over een moderne monarchie, Amsterdam, 1996 (toneelstuk); |
| - | A. Bredenhoff en T. Offringa, Greet Hofmans. Occult licht op een koninklijke affaire, Kampen, 1996; |
| - | J.G. Kikkert, Crisis op Soestdijk. Nederland als bananenmonarchie, Breda, 1996; |
| - | W. Oltmans, Mijn vriendin Beatrix, Breda, 1999; |
| - | P. Bootsma en W. Breedveld, De verbeelding aan de macht. Het kabinet-Den Uyl 1973-1977, Den Haag, 1999 (over het Lockheed-schandaal: pp. 139-166). |