De monarchie als staatsvorm

Sinds 1813 heeft de monarchie als staatsvorm nauwelijks ter discussie gestaan; er is geen concreet voorstel gedaan om het Koninkrijk der Nederlanden om te zetten in een republiek. Toch is de houding die verschillende groeperingen ten opzichte van de monarchie of het Huis van Oranje hebben ingenomen niet altijd even welwillend geweest.

Katholieken en protestanten
De band tussen het protestantse volksdeel en het Huis van Oranje is om historische redenen (in de visie van vele calvinisten vallen de Opstand en het doorzetten van de Reformatie in de Noordelijke Nederlanden samen) altijd tamelijk hecht geweest. Een uiting hiervan was de „Aprilbeweging” van 1853, toen de protestanten een adres richtten aan de Koning persoonlijk, waarin zij hem vroegen de herinvoering van de bisschoppelijke hiërarchie tegen te gaan. Zie voor een beschrijving van de Aprilbeweging:
-  P. J. Oud (bewerkt door J. Bosmans), Staatkundige vorming in Nederland, Deel I: 1840-1940, Assen, 1997, 11e herziene druk.

In de Grondwet van 1814 was voorgeschreven dat de Koning de Hervormde Kerk was toegedaan: artikel 133 van de Grondwet van 1814 luidde: „De christelijk hervormde Godsdienst is die van den Souvereinen Vorst”.

Deze bepaling verdween in 1815. Wel zijn nadien de opeenvolgende vorsten protestant gebleven.

Deze band tussen de protestantse religie en het Huis van Oranje heeft niet geleid tot een afwijzende houding van de katholieken ten opzichte van de monarchie of het Huis van Oranje. In november 1918 speelden de katholieke organisaties bijvoorbeeld een duidelijke rol in het terugdringen van de „revolutiepoging” van P. J. Troelstra, zie:
-  H. J. Scheffer, November 1918. Journaal van een revolutie die niet doorging, Amsterdam, 1968, pp. 35 e.v.; 117 e.v. en 222 e.v.

In 1922 debatteerde de Tweede Kamer over een wetsontwerp dat de troonopvolging van Koningin Wilhelmina moest regelen. Hierbij nam de regering overigens een voorstel van de staatscommissie voor de grondwetsherziening om, bij afwezigheid van een troonopvolger, de kiezers zich te laten uitspreken over de staatsvorm, niet over. Zie:
-  Bijlage 451, Handelingen Tweede Kamer, 1920-1921, Voorstel van verandering van het Iste t/m IXde en XIde hoofdstuk van de additionele artikelen der Grondwet, nr. 13 Memorie van Toelichting.

Bij die gelegenheid stelde J. R. H. van Schaik (RKSP): „. . . ons volk en zeker niet het minst de katholieken . . . zijn en blijven gehecht aan het regerend Oranjehuis . . . omdat het Oranjehuis sinds eeuwen een wezenlijk bestanddeel van ons volk is geweest en daarmee lief en leed heeft gedeeld ... omdat het zich met grote toewijding heeft gegeven aan de verwezenlijking van de nationale strevingen, zonder zich daarbij partij te stellen” (Handelingen Tweede Kamer, 1920-1921, blz. 366).

Het beginselprogramma van de RKSP van 1936 stelt: „In overeenstemming met de historische ontwikkeling der Nederlandsche Staatsgemeenschap blijve aan het Hoofd van den Staat ons erfelijk nationaal koningschap, gebonden aan een Grondwet waarin de rechtmatige vrijheden des volks worden beschermd” (RK Staatspartij, Algemeen staatkundig program en daarbij behorende toelichting, p. 7, 11 en 43).

In de jaren dertig sprak de toenmalige katholieke Tilburgse buitengewoon hoogleraar sociale wetgeving en staats- en administratief recht mr. C. P. M. Romme zich uit voor een belangrijker positie van het koningschap in ons staatsbestel, zie:
-  C. P. M. Romme, Erfelijk nationaal koningschap, Amsterdam, 1937; zie tevens par. 4.8.

De relatie tussen godsdienst en het Huis van Oranje kwam in 1964 ook aan de orde in de „kwestie Irene”. Naar aanleiding van de overgang van prinses Irene tot het katholieke geloof en het kabinetsbesluit om geen wetsontwerp in te dienen tot goedkeuring van het huwelijk van prinses Irene vroeg dr. A. Vondeling (fractievoorzitter van de PvdA) in de Tweede Kamer om een uitspraak van het kabinet dat de godsdienstige gezindheid van de prinses geen rol had gespeeld bij het kabinetsbesluit. Minister-president V. G. M. Marijnen antwoordde dat het vraagstuk der religie niet aan de orde was geweest in de overwegingen die hadden geleid tot het kabinetsbesluit. Zie:
-  Handelingen Tweede Kamer, 1963-1964, Behandeling brief minister-president betreffende verloving H.K.H. prinses Irene, blz. 1244, en blz. 1264.

Zie ook:
-  D. Schaap en B. Pasterkamp, De zaak Irene, Amsterdam, 1964.

In 1964 werd door het NIPO de vraag gesteld: „Als een Koning, Koningin of troonopvolger rooms-katholiek zou worden, vindt u dan dat hij of zij zou moeten aanblijven, of dat hij of zij afstand zou moeten doen van de rechten op de Troon?”

Tabel 4 geeft de resultaten van deze enquête weer.

Tabel 4. Nipo-enquête rooms-katholiek geloof en de Troon

Aanblijven 63%
Moet afstand doen van (rechten op) de Troon 23%
Geen mening 4%



Bron: Zo zijn wij. De eerste vijfentwintig jaar N.I.P.O. Onderzoek, Amsterdam, 1970, p. 95.26

Uit een enquête onder 500 ondervraagden, gehouden op 30 januari 2000 in het kader van het NOS Kijk- en luisteronderzoek, kwam naar voren dat 91% geen bezwaar heeft tegen een rooms-katholieke koningin. Van de katholieke, hervormde en gereformeerde ondervraagden had respectievelijk 96, 83 en 85 procent geen bezwaar tegen een rooms-katholieke koningin.

Zie verder voor de houding van de katholieken ten opzichte van de monarchie:
-  J. Bank, Katholieken en de Nederlandse monarchie. Tussen staatsraison en populariteit, in: C. A. Tamse (red.), De monarchie in Nederland, Amsterdam, 1980, pp. 195-208.

Op 31 maart 1998 vergaderde de Staten-Generaal over het voorgenomen huwelijk tussen prins Maurits, de oudste zoon van prinses Margriet, met de katholieke mw. M.-H.A. van de Broek. De SGP stemde als enige partij tegen het wetsvoorstel dat beoogde toestemming voor dit huwelijk te verlenen. De heer Holdijk verwoordde het standpunt van de SGP als volgt:
“Nu het hier een huwelijk van een troonopvolger betreft, is het ons onmogelijk de godsdienstige overtuiging van de aanstaande echtgenote uitsluitend als een privé-aangelegenheid te beschouwen..”.
Zie:
-  Handelingen Verenigde Vergadering der Staten-Generaal, 1997-1998, 31 maart 1998.

SDAP en PvdA
De houding van de sociaal-democraten ten opzichte van de monarchie en het Huis van Oranje is tot aan de jaren dertig gereserveerd geweest. Zonder actief te ageren voor een omzetting van de monarchie in een republiek was men zo min mogelijk aanwezig bij plechtigheden waar de koninklijke familie aanwezig was, aanvaardde men geen koninklijke onderscheidingen en bleef men weg bij de opening door de Koningin van de Staten-Generaal.

Op het eerste congres van de SDAP in 1895 werd een voorstel om de monarchie te vervangen door een republiek verworpen. Het volgende citaat geeft de houding van de SDAP ten opzichte van de monarchie in die tijd weer: „Troelstra zei . . . dat het Koningschap in Holland een onschuldige liefhebberij is, waarvan de bestrijding voet zou geven aan het vooroordeel dat het iets betekent” (W. H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed. Geschiedenis der Sociaal-democratische arbeiderspartij in Nederland gedurende de eerste 25 jaren van haar bestaan, Amsterdam, 1929, deel I, p. 107).

In de jaren dertig koos de leiding der SDAP voor een andere houding. Besloten werd aanwezig te zijn bij plechtigheden waarbij de Koningin betrokken was; de SDAP-afgevaardigden woonden het huwelijk tussen prinses Juliana en prins Bernhard bij en verklaarden zich bereid koninklijke onderscheidingen te aanvaarden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in juli 1940, kwamen zes grote politieke partijen samen met een verklaring waarin werd gesteld dat men uitzag naar het herstel van de onafhankelijkheid van Nederland onder het Huis van Oranje. Zie:
-  W. Drees sr., Monarchie – democratie – republiek, in: W. Drees sr. e.a., De monarchie, Amsterdam, 1966, pp. 114-115.

Na de oorlog heeft deze ontwikkeling zich bestendigd en staat de PvdA niet wezenlijk anders tegenover het Koningschap dan de andere partijen. Op het zestiende partijcongres van de PvdA op 14 oktober 1977 werd echter een amendement op het ontwerp-beginselprogramma aangenomen, waarbij de partij zich uitsprak voor een republikeinse staatsvorm. Het Beginselprogramma van de PvdA van 1977 vermeldt dan ook in deel II; Beginselen, onder punt 4: Macht en democratisering (pag. 20): „Het is wenselijk het parlementaire systeem, met een gekozen staatshoofd, uit te bouwen en te versterken”.

De voorzitter van de PvdA, mw. I. van den Heuvel verklaarde dat het partijbestuur de beslissing van het congres betreurde, maar dat dit niet betekende dat er op korte termijn een andere politieke instelling op dit punt zal komen. Zij wees erop dat het betreffende punt in de „beginselen” staat. „Koningin Juliana verdient ons aller achting en wij hopen haar nog lang als Koningin te houden”. (De Telegraaf, 15 oktober 1977, p. 1).

In 2011 verscheen het rapport Verbindend koningschap in de Republiek, geschreven door een commissie van de PvdA onder voorzitterschap van J.Th.J. van den Berg. De commissie doet de volgende voorstellen:
-  het voorzitterschap van de Raad van State dient niet langer aan de Koning toe te vallen. De voorzitter moet - daar is uiteraard een grondwetswijziging voor nodig - door de regering worden benoemd, al dan niet op voordracht van de Tweede Kamer.
-  de rol van de Koning bij de kabinetsformatie dient te worden beperkt tot het formeel doen van de benoeming van de bewindslieden. De Tweede Kamer kiest de formateur bij motie. Als zo'n motie geen meerderheid krijgt benoemt de Kamer de voorzitter van de grootste fractie tot formateur.
-  het lidmaatschap van het Koninklijk Huis wordt beperkt tot diegenen die, na de inhuldiging van de huidige Prins van Oranje, van staatswege een uitkering ontvangen: de Koning en diens echtgenote, de afgetreden Koning en de vermoedelijke troonopvolger en diens eventuele (toekomstige) echtgenoot. Lidmaatschap van het Koninklijk Huis, uitkering én ministeriële verantwoordelijkheid vallen dan samen. Prinses Margriet en haar echtgenoot blijven op persoonlijke titel lid (vanwege de hoffelijkheid).  

PSP
De PSP was een uitgesproken republikeinse partij. Haar vertegenwoordigers in het parlement waren om principiële redenen niet aanwezig tijdens het voorlezen door de Koningin van de Troonrede. In het Verkiezingsprogramma PSP 1981-1985 stond op pagina 39: „De monarchie is naar betekenis en uiterlijk vertoon de uitdrukking van een autoritaire bestuursvorm die niet past in een democratische samenleving. Het is een geldverslindende staatsvorm. De ervaring leert dat ze tot machtsmisbruik en corruptie aanleiding geeft. Immer weer blijkt een vorstenhuis een instrument voor anti-socialistische propaganda te zijn”. Daarom wilde de PSP: „Afschaffing van de monarchie. De functie van staatshoofd wordt waargenomen door de regering”.

GroenLinks
GroenLinksis voorstander van een louter ceremonieel koningschap.

Bij de behandeling van de toestemmingswet voor het huwelijk tussen Prins Bernhard jr. en Annette Sekrève stemden vier leden van Groen Links tegen het wetsvoorstel. Zij waren van mening dat de kring van troonopvolgers kleiner zou moeten worden en dat het verlenen van toestemming voor een huwelijk door de Staten-Generaal zou moeten worden beperkt tot bijvoorbeeld de kroonprins. Zie hiervoor:
-  Handelingen der Verenigde Vergadering van de beide Kamers der Staten-Generaal, 1999-2000, 30 mei 2000.

Fractievoorzitter De Boer van de Eerste-Kamerfractie van GroenLinks voegde bij de behandeling van de toestemmingswet voor het huwelijk van Prins Constantijn en Laurentien Brinkhorst daar aan toe:
„GroenLinks is een partij die de monarchie, inclusief de erfelijke troonopvolging en de wat besloten krampachtigheid die daarmee vaak gepaard gaat, niet een passende staatsvorm vindt voor een eigentijdse monarchie: in een open en mondige democratie wordt het staatshoofd gekozen, wat GroenLinks betreft door de Staten-Generaal”.

Op grond van „het republikeinse standpunt dat je niet meewerkt aan wetsvoorstellen die het continueren van de monarchie als enig doel hebben” stemden vijf leden van GroenLinks tegen de toestemmingswet voor het huwelijk van Prins Constantijn en Laurentien Brinkhorst. De andere leden van GroenLinks waren van mening dat „de feitelijke keuze om als partij binnen dit staatsbestel en de daaronder liggende Grondwet te functioneren, impliceert dat je je republikeinse opvatting niet elke keer manifesteert bij specifieke, uit de constitutionele monarchie voortvloeiende situaties”.
Zie:
-  Handelingen der Verenigde Vergadering der Staten-Generaal, 2000-2001, 10 april 2001.

D66
In 2000 stelde de fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer, mr. Th.C. de Graaf, dat het koningschap moest worden aangepast aan de moderne samenleving en aan de eisen van de politieke democratie. Daarbij deed hij de volgende staatsrechtelijke suggesties:
a.  De regering wordt gevormd door de ministerraad (de Koning maakt in dit voorstel geen deel meer uit van de regering);
b.  De formateur wordt rechtstreeks gekozen of aangewezen door de Tweede Kamer;
c.  Het lidmaatschap van het Koninklijk Huis wordt beperkt tot diegenen die in een zeer directe relatie staan tot de troon (zie ook paragraaf 3.3).

Deze voorstellen werden door het kabinet afgewezen, zie:
-  Bijlage 27409, nr. 1, Handelingen Tweede Kamer der Staten-Generaal, 1999-2000, Beschouwing over het koningschap.

Bij het debat over de verloving van de Prins van Oranje met Máxima Zorreguieta stemden SP en twee leden van de fractie van D66 tegen een motie die uitsprak de toestemmingswet voor het huwelijk met belangstelling tegemoet te zien, zie paragraaf 3.1. Zie voor de stemming over de toestemmingswet eveneens paragraaf 3.1.

PVV
De PVV is voorstander van de constitutionele monarchie. Wél vindt de PVV een aantal staatsrechtelijke aspecten over het Koningshuis niet meer van deze tijd. Eind december 2007 al maakte de fractievoorzitter van de PVV, G. Wilders, bekend dat hij een grondwetswijziging tot stand wil brengen om koningin Beatrix als staatshoofd buiten de regering te plaatsen. Het koningschap zou louter ceremonieel dienen te zijn. Directe aanleiding was de Kersttoespraak van de Koningin in 2007 die naar de mening van de fractievoorzitter van de PVV “zeer multicultureel getint” en “wat linksig” was, zie:
-  Handelingen Tweede Kamer, 2007-2008, 15 januari 2008, Regeling van werkzaamheden.  

Een motie van de PVV over een grondwetswijziging om de Koning niet langer onderdeel te laten uitmaken van de regering werd in 2009 verworpen met de stemmen van SP, GroenLinks, D66, de PvdD, de PVV en Verdonk vóór. Zie:
-  Bijlage 32.123, Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, Hoofdstuk I, nr. 11
-  Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, 13 oktober 2009.

Eerder al had Wilders bezwaar gemaakt tegen de naar zijn mening pro-Europese voorbeschouwing van de Koningin bij de bundel Paleis Europa: grote denkers over Europa, Amsterdam, 2007. Ook verzette hij zich tegen een passage uit een toespraak van prinses Maxima die luidde: “Maar ‘de’ Nederlandse identiteit? Nee, die heb ik niet gevonden.” (Toespraak van Prinses Máxima bij de presentatie van het WRR-rapport Identificatie met Nederland op 24 september 2007).
Voor een op 15 januari 2008 door Wilders gedaan voorstel om over de monarchie met de minister-president te debatteren bestond in de Tweede Kamer geen steun.
Bij de begrotingsbehandeling voor 2011 kondigde de PVV aan, met een voorontwerp voor een wet te komen om de Koningin geen deel meer te laten uitmaken van de regering. In 2011 namen Elissen en Helder (beiden PVV) het initiatief tot een grondwetswijziging met als doel: modernisering van de rol van de Koning in het staatsbestel.Het voorstel bevat de volgende hoofdpunten:
-  de Koning maakt geen deel uit van de regering.
-  bij de kabinetsformatie stelt de Tweede Kamer een informatieopdracht of formatieopdracht vast. Tevens wijst de Kamer een of meer informateurs/formateurs aan.
-  de Koning is niet langer voorzitter van de Raad van State. De Tweede Kamer doet een voordracht van drie personen uit een aanbevelingslijst samengesteld door de Raad van State.
-  De Koning oefent louter een representatieve en ceremoniële rol uit.
-  De ministeriele verantwoordelijkheid voor de Koning vervalt. De Koning beslist dus zelf hoe hij invulling geeft aan zijn functie is daarover tegenover niemand verantwoording schuldig.

Zie:
-  Bijlage 32.867, Handelingen Tweede Kamer, 2010-2011, Voorstel van wet van de leden Elissen en Helder houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot modernisering van de rol van de Koning in het staatsbestel, nrs. 1 e.v.

SP
De SP zou, als Nederland opnieuw staatsrechtelijk zou moeten worden ingericht, niet kiezen voor een monarchie: elke gezagsdrager moet gekozen worden. De SP legt zich echter bij het bestaan van de monarchie neer: "Maar Nederland heeft een monarchie, en de overgrote meerderheid van de bevolking wil die ook houden. Nederland wil een monarchie in een democratie". De SP is verder voorstander van een symbolisch, ceremonieel, vertegenwoordigend koningschap, waarbij het staatshoofd zich verre houdt van de actuele politiek.
Zie:
-  Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, Begrotingsbehandeling Huis der Koningin, 8 oktober 2009.

In 2009 werd een motie van de SP waarin werd verzocht om een visiestuk van de regering over de toekomst van de monarchie, werd verworpen met de stemmen van SP, GroenLinks, D66, PvdD, PVV en Verdonk vóór.

VVD
Ook de liberalen zijn in principe voor een gekozen staatshoofd. Zolang echter de monarchie kan rekenen op de huidige brede steun wil de VVD de monarchie koesteren.

Partij voor de Dieren
De Partij voor de Dieren is voorstander van een ceremonieel koningschap.

Visie op modern koningschap
Tijdens de behandeling van de begroting van de Koning in 2010 werd een motie van PvdA en SP over een visie op modern koningschap aangenomen. Daarin wordt de minister-president gevraagd om vóór juli 2011 de Kamer te informeren over zijn visie op modern koningschap en daarbij in ieder geval in te gaan op de rol van de Koning binnen de regering, de ministeriële verantwoordelijkheid, de fiscale vrijstellingen van de Koning en de communicatie rondom de leden van het Koninklijk Huis. SP, PvdD, PvdA, GroenLinks, D66 en PVV stemden vóór de motie.
Zie:
-  Bijlage 32.500, I, nr. 4, Handelingen Tweede Kamer, 2010-2011;
-  Handelingen Tweede Kamer, 2010-2011, nr. 25, pp. 21-22, 23 november 2011.

Monarchie en samenleving
Zie voor de relatie tussen monarchie en samenleving:
-  K. Bruin en K. Verrips, Door het volk gedragen. Koningschap en samenleving, Groningen, 1989;
-  W. Crone, A. Ribbens, H. A. van Wijnen, In dienst van het Koninkrijk. De monarchie in staatsbestel en samenleving, Amsterdam, 1992.

Republiek versus monarchie
Zie verder voor beschouwingen over republiek of monarchie:
-  J. van der Hoeven, Monarchie of republiek, in: Socialisme en democratie, 22 (1965), pp. 713-727;
-  W. Drees sr., Monarchie – democratie – republiek, in : W. Drees sr. e.a., De monarchie, Amsterdam, 1966, pp. 101-119;
-  L. M. de Rijk, Nationaal koningschap of monarchistische maskerade?, in: Socialisme en democratie, 23 (1966), PP. 1-14;
-  Koningschap in discussie, in: Civis Mundi, 15 (1976), pp. 1-20;
-  Monarchie of republiek, in: Civis Mundi, 20 (1981), pp. 39-64;
-  J. de Rek, Tussen republiek en monarchie, Baarn, 1984;
-  Ch. Huijskens, Majesteit en media. Overleeft de Nederlandse monarchie het televisietijdperk?, Amsterdam, 1994;
-  H. van den Bergh en T. Rooduijn, De Republiek der Nederlanden. Pleidooien voor het afschaffen van de monarchie, Amsterdam, 1998.

Het NIPO heeft in de jaren zestig enquêtes gehouden waarin de vraag werd gesteld: „Wat is volgens U het beste: dat Nederland een Koninkrijk blijft of dat Nederland een republiek wordt”? Tabel 5 geeft de resultaten weer in percentages.

Tabel 5. Nipo-enquête republiek of koninkrijk?

Vóór koninkrijk Vóór republiek Geen mening Totaal
Enquête van
24- 2-1965 86 8 6 100
5- 7-1965 74 9 17 100
8- 7-1969 85 10 5 100



Bron: Zo zijn wij. De eerste vijfentwintig jaar N.I.P.O. Onderzoek, Amsterdam, 1970, p. 101.

Het aanzienlijke percentage „zonder keuze” in juli 1965 (na de verloving van prinses Beatrix met prins Claus van Amsberg) was dus vier jaar later weer ingekrompen tot het niveau van 1964.

De NOS laat al enige jaren rond Koninginnedag een onderzoek uitvoeren met als doel te achterhalen wat Nederlanders vinden van de monarchie. De belangrijkste bevindingen uit de onderzoeken sinds 2005 worden hieronder weergegeven (in verhoudingscijfers) (bron: www.peil.nl van M. de Hond). Opvallend is dat er in vergelijking met de genoemde enquetes uit de jaren zestig nu veel meer voorstanders van een republiek zijn.

Welke staatsvorm prefereert u? 2005 2006 2007 2008 2009
Nederland kan het beste een koninkrijk blijven 74 76 71 70 66
Nederland kan het beste een rupubliek worden 20 20 23 25 28
Weet niet / geen antwoord 6 4 6 5 6
Totaal 100 100 100 100 100



Wat voor invloed zou de Koningin moeten hebben? 2005 2006 2007 2008 2009
De Koningin moet meer macht hebben dan nu 13 8 8 8 7
De macht van de Koningin is momenteel precies goed 45 56 50 51 42
De Koningin moet geen wettelijke invloed hebben 39 35 41 41 49
Weet niet / geen antwoord 3 1 1 1 1
Totaal 100 100 100 100 100



Wat vindt u als Koningin Beatrix soms de politiek negeert? 2005 2006 2007 2008 2009
Daar heb ik zeer veel moeite mee 18 19 25 20 23
Daar heb ik tamelijk veel moeite mee 21 19 16 20 22
Daar heb ik tamelijk weinig moeite mee 31 34 30 29 21
Daar heb ik zeer weinig moeite mee 24 20 22 24 30
Weet niet / geen antwoord 7 8 7 7 5
Totaal 100 100 100 100 100



Vertrouwen in Willem-Alexander als Koning van Nederland 2005 2006 2007 2008 2009
zeer veel vertrouwen 20 26 27 24 26
tamelijk veel vertrouwen 42 39 41 42 37
veel noch weinig vertrouwen 20 19 18 18 22
tamelijk weinig vertrouwen 6 6 5 6 7
zeer weinig vertrouwen 9 7 6 7 6
weet niet / geen antwoord 2 2 3 3 3
Totaal 100 100 100 100 100



Hoe tevreden bent u met de wijze waarop Koningin Beatrix heeft geregeerd? 2005 2006 2007 2008 2009
Heel tevreden 16 24 21 23 21
Tevreden 28 30 35 33 31
Vrij tevreden 16 19 15 14 17
Tevreden noch ontevreden 23 16 18 17 14
Vrij ontevreden 5 3 3 4 6
Ontevreden 3 3 3 3 6
Heel ontevreden 5 3 3 4 4
Weet niet / geen antwoord 4 1 3 2 1
Totaal 100 100 100 100 100



In 2008 vond 69% dat het koningschap gemoderniseerd moet worden als kroonprins Willem-Alexander Koning wordt. Daarbij gaat het dan vooral om de privileges van de koninklijke familie, de macht van het staatshoofd in de regering en de rol die het staatshoofd speelt bij de formatie. In 2010 was 64% voorstander van modernisering van het koningschap. Voor 20% hoeft dat niet.

Aanslag tijdens Koninginnedag 2009
Op Koninginnedag 2009 vond een aansalg op de koninklijke familie plaats. Er vielen onder de toeschouwers zeven doden doordat een man zijn auto door de politie-afzetting in Apeldoorn heen reed en tot stilstand kwam tegen het monument De Naald. Terwijl hij zwaargewond in de auto zat gaf hij aan de koninklijke familie te hebben willen raken. Op het moment van de aanslag reed de koninklijke familie in een bus langs het monument. De dader overleed later die nacht.  
Naar aanleiding van dit incident zijn drie onderzoeken gestart:
-  het strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het O.M., uitgevoerd door de dienst Nationale Recherce van het Korps Landelijke Politiediensten. Het onderzoek richtte zich op de reconstructie, de voorbereiding en het motief van de dader.
-  een feitenonderzoek in opdracht van B&W van Apeldoorn en uitgevoerd door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV).
-  een onderzoek in opdracht van het kabinet naar de inrichting en het functioneren van het stelsel bewaken en beveiligen, en uitgevoerd door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding.

Enkele belangrijke bevindingen uit deze onderzoeken zijn:
-  het is niet zeker of de aanslag gericht was tegen het leven van leden van de koninklijke familie;
-  het was een eenmansactie;
-  het is onwaarschijnlijk dat een ideologie of een levensbeschouwing een rol speelde;
-  de dader had geen psychiatrische- of persoonlijkheidsstoornis;
-  de uitvoerende diensten op rijks- en decentraal niveau hebben intensief samengewerkt;
-  de organisaties die het stelsel bewaken en beveiligen uitvoeren hebben eveneens goed samengewerkt;

Het kabinet vindt wél dat het stelsel bewaken en beveiligen verder zou moeten worden uitgewerkt. Daarbij gaat het o.a. om het proces van het bepalen van het dreigingsniveau en de afwegingen tussen beveiliging en normaal functioneren van de beveiligde(n).
Zie verder:
-  Bijlage 31.700 VI, Handelingen Tweede Kamer, 2008-2009, nr. 126, Brief Onderzoek naar het functioneren van het stelsel bewaken en beveiligen in het kader van Koninginnedag 2009;
-  Bijlage 32.054 Koninginnedag 2009; nr. 1, Brief met kabinetsreactie op de drie bovengenoemde onderzoeken. Als bijlage bij deze brief zijn de drie onderzoeken gevoegd:
-  Onderzoeksrapportage Koninginnedag 2009. Bevindingen van het rechercheonderzoek, KLPD, Dienst Nationale Recherche;
-  Koninginnedag 2009 Apeldoorn. Een onderzoek door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid;
-  Onderzoek functioneren Stelsel bewaken en beveiligen Koninginnedag 2009, Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding;
-  Bijlage 32.054 Koninginnedag 2009; nr. 2. Verslag van een algemeen overleg gehouden op 3 december 2009.
Bijgewerkt tot: 2011-10-03
Troonrede
Biografieën
Print