Kiesdeler en kiesdrempel

Tussen 1918 en 1956 telde de Tweede Kamer 100 leden. De kiesdeler was daardoor gelijk aan 1/100 van het aantal landelijk uitgebrachte geldige stemmen. In 1956 werd het aantal leden van de Tweede Kamer tot 150 uitgebreid. De kiesdeler is sindsdien 1/150 van het aantal landelijk uitgebrachte geldige stemmen. De kiesdeler is sinds 1937 tevens de kiesdrempel. Vóór 1937 kon een partij reeds een restzetel behalen wanneer deze tenminste de helft van de kiesdeler (1918), c.q. drie kwart van de kiesdeler behaalde (1922, 1925, 1929, 1933). Het minimumaantal stemmen benodigd om voor een zetel in aanmerking te kunnen komen is vermeld in ondertaande tabel. 

De feitelijke kiesdrempel sedert 1918 (aantallen voor een tweede-kamerzetel tenminste benodigde stemmen).

Jaar Kiesdrempel Jaar Kiesdrempel
1918  6.722 1967 45.854
1922 21.972 1971 42.121
1925 23.144 1972 49.294
1929 25.347 1977 55.451
1933 27.914 1981 57.939
1937 40.581 1982 54.857
1946 47.608 1986 61.148
1948 49.327 1989 59.289
1952 53.344 1994 59.832
1956 57.278 1998 57.385
1956* 38.185 2002 63.341
1959 39.997 2003 64.363
1963 41.724 2006 65.591
2010 62.773



*  Uitbreiding van het aantal Tweede-Kamerzetels tot 150.
Bijgewerkt tot: 2010-06-23
Blanco en ongeldige stemmen
Uitslagen Tweede Kamer
Print