De pers in de 21e eeuw

Eind van de vorige eeuw werd een aantal trends zichtbaar die grote gevolgen met zich meebrengen voor de pers. Het gaat meer in het bijzonder om de volgende ontwikkelingen:
-  dalende oplagecijfers (zie de paragraaf Gegevens over kranten en Gegevens over opinie-weekbladen). Had in 1997 nog 69 van de huishoudens een abonnement op een krant, in 2007 was dat percentage gedaald naar 53. De gratis kranten kennen overigens juist stijgende oplagecijfers;
-  verminderde advertentie-inkomsten (met toegenomen concurrentie van radio- en televisiereclame en reclame op internet);
-  veranderend mediagebruik bij jongeren. Uit het Tijdsbestedingsonderzoek 2005-2006 van het SCP bleek dat jongeren in veel mindere mate dan ouderen nog de krant lezen. Jongeren zouden zich veel meer door bronnen op internet en via contacten met anderen (vrienden, familie, collega's) laten informeren. Dat geldt voor nieuws en voor opinie: de jongere generatie zou meeer op eigen vrienden en amateurs vertrouwen dan op de institutionele traditionele bronnen;
-  opkomst en groei van gratis kranten;
-  invloed van internet. De traditionele media hebben hun alleenrecht op het nieuws verloren;
-  bezuinigingen op de redacties. Dat heeft ook inhoudelijke gevolgen: steeds meer nieuws wordt door steeds minder redacties en journalisten gemaakt. Veel nieuws wordt mede daardoor niet meer journalistiek bewerkt of van opinie voorzien. Berichten van persbureaus worden steeds meer één-op-één overgenomen. De succesvolle gratis kranten bestaan zelfs voor een groot deel uit korte berichten al dan niet overgenomen uit persberichten;
-  journalistieke principes als hoor en wederom, checken van feiten komen in het gedrang;
-  In 2003 bracht de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) een rapport uit over medialogica. Volgens minister Plasterk houdt dat het volgende in: "Onder invloed van de media komt in het publieke en politieke debat steeds meer het accent te liggen op personen en conflicten in plaats van op inhoud en standpunten, op beelden en emoties in plaats van op feiten en argumenten, op schandalen en incidenten in plaats van op visies en beleid op de langere termijn, op het zoeken naar schuldigen in plaats van het zoeken naar oplossingen" (citaat uit onderstaande brief over het Persbeleid);

Zie voor een overzicht van de ontwikkelingen:
-  F. Huysmans, J. de Haan en A. van den Broek, Achter de schermen. Een kwart eeuw lezen, luisteren, kijken en internetten, Den Haag, 2004 (SCP, Het culturele draagvlak deel 5).

Zie over medialogica:
-  RMO, Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek, Den Haag, 2003

Over deze en tal van andere trends stuurde de minister van OCW een uitgebreide brief naar de Tweede Kamer over het Persbeleid, zie:
-  Bijlage 31.777, Handelingen Tweede Kamer, 2008-2009, nr. 1 Persbeleid.

In deze brief komen bovengenoemde trends aan de orde. Daarnaast is er ook aandacht voor de legitimatie van de rol van de overheid en voor de grenzen daarvan. In een vervolgbrief gaf de minister aan voorstander te zijn van twee maatregelen:
-  een verlaging van het btw-tarief voor digitale uitgaves;
-  het instellen van een onafhankelijke Tijdelijke Commissie Innovatie Pers.

Zie:
-  Bijlage 31.777, Handelingen Tweede Kamer, 2008-2009, nr. 2 Persbeleid.
-  Bijlage 31.777, Handelingen Tweede Kamer, 2008-2009, nr. 13. Verslag van het algemeen overleg op 18 december 2008 over het Persbeleid;
-  HandelingenTweede Kamer, 2008-2009, pp. 3547-3550: Debat n.a.v. het AO van 18 december en pp.3560-3561: Stemmingen over moties Persbeleid.

Medio 2009 verscheen het adviesrapport van de commissie. De commissie schetst een somber beeld van de krantensector, ook ná de kredietcrisis. De gedrukte media ondervinden steeds meer concurrentie van nieuwe media. Lezers vervullen steeds meer een actieve rol bij het produren (denk aan weblogs), verspreiden (internet) en beoordelen van nieuws en informatie: "de papieren krant in de huidige vorm lijkt aan het einde van de levenscyclus te komen". In het rapport staat een groot aantal aanbevelingen. waaronder:
-  de overheid dient de dagbladsector te helpen bij een grondige sanering van de grafische tak en herstructurering van de distributie o.a. via fiscale maatregelen en aanpassing van wet- en regelgeving. Meer specifiek: er moet één distributienetwerk van dagbladen komen.
-  de Tijdelijke Wet Mediaconcentratie moet worden afgeschaft
-  verruiming van de mogelijkheden tot samenwerking tussen dagbladen, opiniebladen en nieuwsbladen enerzijds en de publieke omroep anderzijds;
-  verkenning naar de journalistieke infrastructuur: onderzoeken naar de rol van de journalistiek in de samenleving en naar de toekomst van het ANP maken daar deel vanuit;
-  bijzondere aandacht voor de regionale journalistiek: sanering en crossmediale samenwerking.
-  vermindering van het "leger communicatiefunctionarissen" bij de overheid. De commissie spreekt van de "enorme capaciteit aan communicatiefunctionarissen gericht op beinvloeding van de journalistiek".

De kosten van de uitvoering van het rapport zouden moeten worden gedekt door een opslag van enkele euro's per jaar op de kosten van de internetaansluiting voor huishoudens.

Zie:
-  Adviesrapport Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers, De volgende editie, Den Haag, 2009.

Op 30 september 2009 publiceerde de minister van OCW zijn reactie op het advies van de commissie. De minister wijst de opslag op de kosten van de internetaansluiting voor huishoudens af. De belangrijkste overige punten zijn:
-  de vorming van één distributienetwerk is een zaak van de uitgevers;
-  er komen geen generieke maatregelen, ook niet in de fiscale sfeer;
-  de minister neigt naar het verlengen van de Tijdelijke Wet Mediaconcentratie. Onderzocht gaat worden of meer mogelijkheden voor crossmediale samenwerking kunnen worden geschapen zonder dat de dat nadelige gevolgen heeft in de vorm van verdergaande concentratie van mediabedrijven;
-  binnen de huidige wetgeving zijn er nog veel mogelijkheden om de samenwerking tussen pers en publieke omroep te intensiveren. De minister roept uitgevers, omroepen en redacties op om daar toe over te gaan.
-  er komt een onderzoek naar de rol van het persbureau in het algemeen (waaronder het ANP);
-  het Stimuleringsfonds voor de Pers gaat een innovatieregeling ontwerpen om innovatieve projecten te ondersteunen. De innovatie moet zich richten op distributie; exploitatie; journalistieke concepten en/of het versterken van de band tussen samenleving en journalistiek. Daar wordt in totaal € 8 miljoen voor uitgetrokken.
-  de mogelijkheden voor regionale mediacentra wordt verder verkend;
-  tot een vermindering van de overheidsvoorlichters wordt niet overgegaan.

Zie:
-  Bijlage 31.777, Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, Persbeleid, nr. 18.  

Op 19 november 2009 werd deze reactie door de Tweede Kamer besproken. N.a.v. dit overleg werd een motie-Remkes (VVD) c.s. aangenomen. Op grond daarvan dient de regering de Tijdelijke Wet Mediaconcentratie niet te verlengen, dan wel het daarin opgenomen toegestane concentratiepercentage te verhogen van 35 tot 50. Zie:
-  BIjlage 31.777, Handelingen Tweede Kamer, 2009-2010, Verslag van een algemeen overleg over het Persbeleid, nr. 20;
-  Bijlage 32.123, VIII, nr. 74 Motie Remkes c.s.

Begin 2010 maakte het kabinet bekend deze motie niet te zullen uitvoeren. In plaats daarvan is een onderzoek gestart naar de modernisering van de wet, bijvoorbeeld door het opnemen van internet in de wet. Tijdens een Algemeen Overleg op 12 mei 2010 heeft de commissie OCW van de Tweede Kamer zich hierbij neergelegd. In 2010 maakte minister Van Bijsterveldt van het kabinet-Rutte bekend de wet alsnog per 1 januari 2011 in te zullen trekken. De Tijdelijke Wet Mediaconcentratie kwam daarmee op die datum te vervallen.  
Bijgewerkt tot: 2009-10-22
Het Stimuleringsfonds voor de Pers
Oplagecijfers
Print